Q&A: NIEUWE REGELING VAN STUDENTENARBEID VOOR STUDENTEN DIE ALTERNEREND LEREN EN WERKEN

Wat verandert er?

Minister Kris Peeters laat vanaf 1 juli 2017 studentenarbeid openstellen voor studenten die in een in een opleidingssysteem zitten waarbij ze afwisselend op school zitten en een opleiding op de werkvloer krijgen. Vroeger konden zij geen studentenjob doen en dus niet genieten van de voordelige fiscale regeling voor studentenarbeid.

Op wie is de nieuwe regeling van toepassing?

De nieuwe regeling is van toepassing op studenten die in een systeem zitten van alternerend leren en werken volgen dat bestaat uit een theoretische vorming in een opleidingsinstelling en uit een praktische opleiding op de werkplek.

De nieuwe regelgeving is van toepassing op alle systemen van alternerend leren in de ruime zin, toepasselijk in alle landsgedeelten. De overeenkomst waarmee de jongeren verbonden zijn voor de uitvoering van hun werkplekcomponent speelt daarbij geen rol (bv. overeenkomst alternerende opleiding, deeltijdse arbeidsovereenkomst, stageovereenkomst alternerende opleiding, brugproject, …). Het landschap van alternerend leren is echter erg divers en voortdurend in beweging. De gemeenschappen kunnen meer informatie geven over de systemen van alternerend leren en werken die van toepassing zijn in hun gebied.

De nieuwe regeling is van toepassing op alle jongeren die een systeem van alternerend leren volgen, zowel minderjarigen als meerderjarigen.

Vallen niet onder de nieuwe regeling: studenten die enkel avondonderwijs volgen (buiten een systeem van alternerend leren, bv. avondlessen in een centrum voor volwassenenonderwijs) en studenten die slechts beperkt leerplan volgen (eveneens buiten een systeem van alternerend leren, bv. een student die slechts enkele vakken volgt aan de universiteit).

Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?

Studenten in een systeem van alternerend leren kunnen aan studentenarbeid doen volgens de voordelige fiscale regeling:

  •     enkel wanneer zij geen onderwijs of opleiding moeten volgen of niet aanwezig moeten zijn op de werkplek;

  •     én uitsluitend voor prestaties bij een andere werkgever dan diegene waarbij zij hun praktische opleiding volgen op de werkplek;

  •     én voor zover zij niet genieten van een werkloosheidsuitkering, noch van een inschakelingsuitkering.

Arbeidsrechtelijke regels blijven van toepassing. Zo zal men bijvoorbeeld rekening moeten houden met de bepalingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971 in verband met de maximale arbeidsduur. Wat betreft minderjarige jongeren bepaalt deze wet dat de tijd die een jongere die nog aan de deeltijdse leerplicht is onderworpen besteedt aan het volgen van onderwijs met beperkt leerplan of aan een voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming, mee in rekening wordt gebracht voor het berekenen van de arbeidsduur (artikel 19bis). Bovendien wordt voor een jeugdige werknemer (15-18 jaar) als arbeidsduur beschouwd, de tijd gedurende de welke hij ter beschikking is van één of meer werkgevers (artikel 30).

Vanaf wanneer geldt de nieuwe regeling?

De nieuwe regeling treedt in werking op 1 juli 2017. Voor de betrokken jongeren is het dus mogelijk om vanaf 1 juli 2017 een overeenkomst voor studentenarbeid te sluiten.

Waar kan ik meer informatie krijgen over de nieuwe regeling?

Voor meer informatie over deze nieuwe regeling en de gevolgen op arbeidsrechtelijk vlak kan men contact opnemen met de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (www.werk.belgie.be )

Wat zijn de gevolgen op het vlak van sociale zekerheid?

Door de nieuwe regeling genieten jongeren die een systeem van alternerend leren volgen van de lage solidariteitsbijdragen voor hun arbeidsprestaties als student.

Een student is voor maximum 475 uren per kalenderjaar geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd indien hij werkt op basis van een studentenovereenkomst. Hij en zijn werkgever moeten dan enkel een beperkte "solidariteitsbijdrage" betalen.

Voor meer informatie over deze reglementering kan men terecht op de website ‘[email protected] ( www.mysocialsecurity.be )of kan men contact opnemen met de RSZ (www.rsz.be )

Wat zijn de gevolgen op het vlak van fiscaliteit?

van alternerend leren, fiscaal ten laste van hun ouders konden blijven, ook al ontvangen de studenten zelf een beperkte leervergoeding. Vanaf het inkomstenjaar 2017 krijgen leerlingen in een stelsel van alternerend leren een vrijstelling van 2.660 euro bij de berekening van hun netto bestaansmiddelen. Die vrijstelling bestond al voor andere jobstudenten. De netto bestaansmiddelen bepalen of een kind al dan niet fiscaal ten laste is en of de ouders recht hebben op een verhoging van de belastingvrije som.

Vorig jaar zorgde minister Kris Peeters er al voor dat studenten in het systeem

Concreet wordt een leerling voor het aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) als persoon ten laste van zijn gehuwde of wettelijk samenwonende ouders beschouwd indien zijn netto bestaansmiddelen niet meer dan € 3 200 bedragen. Voor een ouder die als alleenstaande wordt belast wordt dit bedrag verhoogd tot € 4 620 euro netto.

Voor meer informatie over deze reglementering en voor informatie over de voorwaarden waaronder de student zelf van fiscale vrijstellingen geniet, kan men terecht op de website ‘[email protected]( www.mysocialsecurity.be)of kan men contact opnemen met de FOD Financiën ( www.financien.belgium.be ).

Voorbeeld :

Leerling-bediende met inkomsten uit praktische opleiding op de werkplek van € 5 246,50 voor het inkomstenjaar 2017

Situatie zonder studentenarbeid

Berekening van de netto bestaansmiddelen:

  •     Totaal aan bestaansmiddelen: € 5 246,5 – € 2 660 (vrijstelling) = € 2 586,50

  •     Toepassing van de 20% forfaitaire beroepskosten: € 2 586,50 x 20% = € 517,30

  •     Dit betekent een netto bestaansmiddel van € 2 069,20 waarmee de drempel van € 3 200 niet is overschreden, en dus blijft de leerling-bediende fiscaal ten laste van zijn of haar ouders.

Situatie met studentenarbeid

  •     Totaal aan bestaansmiddelen: € 6 846,50 (=€ 5 246,5 + € 1 600) verminderd met € 2 660 (vrijstelling) = € 4 186,50

  •     Toepassing van de 20% forfaitaire beroepskosten: € 4 186,50 x 20% = € 837,30

  •     Dit betekent een netto bestaansmiddel van € 3 349,20 waarmee de drempel van € 3 200 wel is overschreden. Deze leerling kan niet meer als fiscaal ten laste worden beschouwd indien zijn ouders gezamenlijk worden belast. 

Dit is een algemene berekening waarbij opgemerkt moet worden dat ieder geval afzonderlijk bekeken moet worden. Zo zal deze leerling wel nog fiscaal ten laste zijn in het geval hij of zij kind is van een alleenstaande ouder aangezien de drempel van € 3 200 dan verhoogd wordt tot € 4 620 en in het voorbeeld niet overschreden wordt.
.

Wat zijn de gevolgen op het vlak van kinderbijslag?

Wat betreft het recht op kinderbijslag werd de reglementering niet gewijzigd. Voor meer informatie kan men terecht op de website ‘[email protected]( www.mysocialsecurity.be/student ) of kan men contact opnemen met het Federaal Agentschap voor Kinderbijslag ( www.famifed.be)

Student-ondernemer

Naast alternerend leren en studentenarbeid bestaat sinds 1 januari 2017 een statuut voor student-ondernemers tussen 18 en 25 jaar. Jongeren kunnen daarmee op een fiscaal voordelige manier een opleiding combineren met ondernemen. Het is een goede manier om te experimenteren met ondernemen en maakt de stap naar een carrière als ondernemer kleiner.

Datum
30 juni, 2017
Bron
Kabinet Peeters
PDF Nederlandse versie

Nederlandse versie PDF KLIK HIER

PDF Version française

PDF Version française ICI

Q&A - wat verandert er - op wie van toepassing - voorwaarden - enz...

" data-share-imageurl="http://krispeeters.be/sites/default/files/pexels-photo-309727_student_NS.jpg">